Woorddictee groep 7

  • Woorddictee groep 7 blok 6

    Les 1

    Les 2

    Les 3

    Les 4

    Les 5

    oefen

    dictee

    werkwoorden

    weetspoor

    werkwoorden

    weetspoor

    regelspoor

    wij praten (tt)

    ach

    wij raden (tt)

    de wraak

    De wollen trui

    ik praatte (vt)

    giechelen

    ik raadde (vt)

    de wrat

    Het ijzeren hek

    wij praatten (vt)

    noch dit, noch dat

    wij raadden (vt)

    de wreef

    De leren schoen

    wij zetten (tt)

    hachelijk

    wij redden (tt)

    wreed

    De houten stoel

    ik zette (vt)

    pochen

    ik redde (vt)

    wrijven

    De stenen muur

    wij zetten (vt)

    de chaos

    wij redden (vt)

    wringen

    De gouden ring

     

    belachelijk

     

    wrikken

       
     

    de richel

     

    het wrak

       

     

    Les 1: Regel bij de werkwoorden op –te(n)

    We leren de regelmatige werkwoorden (dit zijn werkwoorden die niet van klank veranderen) in de verledentijd op –ten. We leren om steeds eerst de ik-vorm in de t.t. op te schrijven. Daarna plakken we er in de verledentijd bij enkelvoud -te en bij meervoud –ten achter.
    Sommig werkwoorden krijgen in de verledentijd dan een dubbele t.

    Bijvoorbeeld.
    Ik vorm tt Ik vorm vt Wij vorm vt

    praat praatte praatten
    wacht wachtte wachtten
    lach lachte lachten
    zetten zette zetten

    Les 2: Woorden met ch
    Deze woorden moet je uit je hoofd leren. Je hoort een g, maar schrijft ch.

    Les 3: Regel bij de werkwoorden op –de(n)
    We leren de regelmatige werkwoorden (dit zijn werkwoorden die niet van klank veranderen) in de verledentijd op –den.
    We leren om steeds eerst de ik-vorm in de t.t. op te schrijven. Daarna plakken we er in de Verledentijd bij enkelvoud –de en bij meervoud –den achter.
    Sommige werkwoorden krijgen in de verledentijd dan een dubbele d.

    Les 4: Woorden met wr
    Deze woorden moet je uit je hoofd leren. Je hoort wr en schrijft het ook.

    Les 5: Regel bij de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden
    Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden geven aan waarvan iets gemaakt is.
    Eindigt een bijvoeglijk naamwoord op /u/ en het geeft aan van welk materiaal iets gemaakt is, dan schrijf je –en: betonnen, papieren, wollen.